Lezer Wilma Jansen stuurde ons een bijzonder, zelfgeschreven boekje. Het gaat over wat het met je kan doen wanneer je alleen komt te staan en hoe belangrijk aandacht, nabijheid en verbinding kan zijn. “Het boekje is bedoeld om iets open te leggen wat vaak stil blijft.”
Een andere soort rijkdom
Over alleen komen te staan, blijven en menselijkheid
Door Wilma Jansen
Aanleiding
Dit boekje is niet ontstaan uit een plan. Het diende zich aan, langzaam, alsof de woorden zich zelf aandienden in de stilte van mijn dagen.
Tien jaar na het overlijden van mijn man merkte ik dat er iets bleef knagen. Niet het verdriet — dat had inmiddels zijn eigen plek gekregen — maar de stilte eromheen, de leegte die niemand echt leek op te merken.
Er waren veel mensen geweest. Zoveel, dat ik dacht: *als al deze handen mij blijven vasthouden, kom ik hier wel doorheen*. Maar langzaam werd duidelijk dat verlies niet alleen gaat over wie er sterft, maar ook over wie blijft… en wie ongemerkt verdwijnt.
Ik schrijf dit niet om iemand iets te verwijten. Daar geloof ik niet in. Mensen doen zelden pijn met opzet. Maar ik schrijf dit omdat ik wil begrijpen. Wat er gebeurt als iemand alleen komt te staan. Waarom weggaan soms makkelijker is dan blijven. Waarom goede bedoelingen niet altijd leiden tot nabijheid.
Dit boekje is deels persoonlijk, omdat het mijn leven is. Mijn atelier. Mijn schilderijen. Mijn dagen die anders werden.
Maar het is ook een uitnodiging. Een zachte wake-up misschien.
Voor wie ooit naast iemand staat en niet weet wat te doen. Voor wie denkt: *ik laat het even rusten* — en niet doorheeft dat rust soms voelt als verlaten worden.
Je hoeft dit niet te lezen als handleiding. Zie het liever als een reeks gedachten, geschreven vanuit stilte.
Dit is hoe ik het heb ervaren.
Als dit boekje ertoe leidt dat iemand iets langer blijft, iets eerder belt, of iets minder snel wegloopt wanneer het moeilijk wordt, dan heeft het zijn bedoeling al gevonden.
Hoofdstuk 1 – Na de crematie
Na de crematie werden de stoelen weer rechtgezet. De kopjes afgewassen. Bloemen verdeeld. Jassen aangetrokken.
Het leven pakte zichzelf verrassend snel weer op.
Er waren veel mensen geweest. Sommigen raakten mijn arm aan. Anderen gaven een kaartje of een stille knik. Ik dacht: *als al deze handen mij vasthouden, red ik het wel.* En ik geloofde hen.
De dagen erna waren nog vol. Kaarten. Telefoontjes. Bezoek. Maar rouw is geduldig. Ze wacht tot de laatste auto is weggereden.
Wat daarna kwam, was geen klap, maar een leegte die zich langzaam uitstrekte. Alsof iemand ongemerkt het geluid zachter draaide. Vrienden verdwenen niet ineens. Ze werden stiller. Hun stemmen dunner. Hun aanwezigheid korter. Tot ik op een dag merkte dat ik niemand meer hoefde af te zeggen, omdat er niets meer was om af te zeggen.
Ik begon me af te vragen: *doe ik iets verkeerd?* Ben ik te stil geworden? Te verdrietig? Te anders?
Maar alleen zijn na verlies is geen houding die je aanneemt. Het is een landschap waarin je wakker wordt.
Mensen kunnen vaak goed omgaan met verdriet dat een begin en een einde heeft. Met momenten die gepland zijn. Een crematie is overzichtelijk. Je weet wanneer je moet komen, wat je moet zeggen, wanneer je weer mag gaan. Het leven erna is rommelig. Ongemakkelijk. Er is geen draaiboek voor een weduwe op een gewone dinsdagmiddag.
En dus gaan mensen door. Niet altijd uit onverschilligheid, maar uit onvermogen. Ze weten niet hoe ze moeten blijven zonder iets op te lossen. Ze weten niet hoe ze moeten praten tegen iemand die een ander tempo heeft gekregen. Een trager tempo. Een dieper kijken.
Misschien is dat het moment waarop je buiten de kring valt. Niet omdat je niet meer geliefd bent, maar omdat je niet meer past in het oude patroon.
Na de crematie leer je iets wat niemand je vertelt: dat afscheid nemen niet één dag duurt, maar zich vermomt als vergetelheid.
En toch… tussen alles wat wegviel, bleef iets staan: mijn eigen adem, mijn dagen, mijn herinneringen. Langzaam kwam het besef: alleen zijn is niet hetzelfde als verlaten zijn — al voelt het soms wel zo.
Hoofdstuk 2 – Wat ik zelf niet meer was
Na zijn dood verloor ik niet alleen mijn man, maar ook een leven dat vanzelfsprekend was.
Ik was niet meer de vrouw die ’s ochtends plannen maakte terwijl de koffie doorliep. Niet meer degene die ergens naartoe ging zonder eerst te voelen hoe zwaar of licht de dag zou zijn. Ik werd iemand die eerst keek, luisterde, afwoog.
Wat ik ook niet meer was: vanzelfsprekend.
Ik schilderde altijd al, maar nu veranderde de toon. Rustiger. Dieper. Minder gericht op laten zien, meer op vasthouden.
Toen ik na vijfentwintig jaar mijn atelier moest opzeggen omdat het te duur werd, voelde dat niet als falen. Het voelde als opnieuw inpakken wie ik was geworden.
Zo’n vijftig schilderijen verhuisden naar de berging. Netjes opgeborgen. Stil. Alsof een deel van mijn leven even moest wachten.
Die berging werd een binnenruimte. Daar lag niet alleen werk, maar ook tijd. Tijd die niemand meer met me deelde. Tijd die ik alleen moest dragen.
Mensen zagen dat niet. Ze zagen geen atelier meer, dus misschien dachten ze dat het schilderen ook wel verdwenen zou zijn. Net zoals ze dachten dat mijn verdriet langzaam zou oplossen, omdat het leven doorging.
En ja, hun leven ging door. Dat neem ik niemand kwalijk.
Maar wat vaak vergeten wordt, is dat het mijne óók doorging — alleen op een ander tempo. Met andere vragen. Met stillere middagen. Met minder vanzelfsprekendheid en meer betekenis.
Ik merkte dat ik veranderde. Gesprekken over koetjes en kalfjes werden zwaarder. Drukte maakte me moe. Ik zocht echtheid, en soms bleef het stil.
Misschien wisten mensen niet wat ze met me aan moesten. Misschien dachten ze dat ik liever alleen was. Of dat ik teveel gevraagd had. Misschien dachten ze: *ze redt zich wel.*
Wat ik hoop dat mensen begrijpen, is dit: alleen zijn is niet hetzelfde als alleen willen zijn. Wat iemand nodig heeft, is aanwezigheid. Geen oplossingen. Geen grote woorden. Alleen aanwezigheid.
Hoofdstuk 3 – Weglopen is makkelijker dan blijven
Weglopen vraagt weinig. Blijven vraagt moed.
Ik denk dat veel mensen niet zijn weggegaan omdat ze niet gaven om mij, maar omdat het te ingewikkeld werd. Te lastig. Te confronterend.
Bij iemand blijven die alleen is komen te staan, betekent dat je niets kunt repareren. Geen vrolijk einde kunt aanbieden. Geen snelle oplossing.
Weglopen kan heel stil gebeuren. Niet met ruzie. Niet met harde woorden. Maar met uitstel. Een appje dat later komt. Een uitnodiging die niet meer wordt herhaald. Een leven dat zich langzaam sluit.
Blijven betekent soms naast iemand zitten en voelen dat het ongemakkelijk is. Dat je liever over iets luchtigs praat, maar merkt dat dat niet past. Dat je geconfronteerd wordt met je eigen angst om ooit zelf alleen te komen staan.
Misschien is dat wel het lastigste: iemand die alleen is laat je een toekomst zien waar niemand graag aan denkt.
Blijven hoeft niet groots te zijn. Het is een kop koffie. Een wandeling zonder praatplicht. Een kaartje op een willekeurige dag. Een uitnodiging die zegt: *je mag komen, maar je hoeft niet.*
Zoals in schilderen: de makkelijke lijnen zijn snel gezet. Maar het zijn juist de moeilijke plekken — waar je even blijft, kijkt, twijfelt — die diepte geven.
Misschien werkt het met mensen net zo.
Hoofdstuk 4 – Een uitnodiging
Misschien heb je niet bewust afstand genomen. Misschien ging het vanzelf. Gemakkelijker dan je had gedacht.
Je leven liep door. Werk, gezin, afspraken. En ergens onderweg werd het stiller tussen jullie.
Niet omdat mensen hard zijn, maar omdat ongemak zwaarder weegt dan aandacht. Omdat we bang zijn iets verkeerds te zeggen. Of omdat we denken: *ze heeft vast andere mensen om zich heen.*
Wat ik je wil vragen is geen groot gebaar. Alleen: blijf zien. Blijf even.
Je hoeft het verdriet niet te begrijpen. Je hoeft het niet op te lossen. Je hoeft alleen niet te verdwijnen.
Hoofdstuk 5 – Een andere soort rijkdom
Toen veel wegviel, dacht ik eerst dat ik armer werd.
Maar rijkdom verandert van vorm als je alleen komt te staan. Ze wordt stiller, minder zichtbaar, maar ook eerlijker.
Mijn wereld werd kleiner, maar helderder. Wie bleef, bleef echt. Wie kwam, kwam met aandacht.
Ik vond rijkdom in de ochtend, als ik zonder haast koffie dronk en de stilte nog vers was. In het schilderen, waar kleuren niets van me verwachtten en ik mocht zijn wie ik was.
In de berging, met mijn schilderijen netjes opgeborgen, lag geen verlies, maar geduld. Ze wachtten. Net als ik.
Ik leerde dat alleen zijn ook ruimte kan geven. Voor denken. Voor voelen. Voor herinneren zonder uitleg.
Ik mis mensen. Soms nog steeds.
Maar ik mis niet meer wie ik dacht te moeten zijn om erbij te horen.
Wat ik heb gewonnen, is een zachtere blik. Meer begrip. Voor anderen — en vooral voor mezelf.
Misschien is dat de rijkdom die pas zichtbaar wordt als het lawaai wegvalt.
En als iemand dit leest en zich afvraagt of blijven moeite waard is, dan hoop ik dat dit antwoord genoeg is:
Ja. Want blijven verrijkt niet alleen degene die alleen is, maar ook degene die durft te blijven.